Ludwig Hoeksema

De Januskop van onafhankelijkheid

door Ludwig Hoeksema,

Ons gedrag is een ingewikkelde functie van onze drijfveren, de sociale norm, onze persoonlijke middelen en de consequenties die we van ons handelen verwachten. Deze vier factoren spelen voortdurend een rol bij het bepalen van ons gedrag. In een serie van korte artikelen sta ik stil bij deze vier factoren en hun impact op het gedrag van mensen en in het bijzonder bestuurders.

De drijfveren hebben we eerder besproken. We gaan nu verder met de sociale norm. Ons gedrag wordt beïnvloed door de sociale omgeving, of we dat nu willen of niet. De meeste mensen maken deel uit van veel verschillende groepen: familie, sportvrienden, collega’s, vakgenoten, ondernemersnetwerken, service clubs, buren en ga zo maar door. De invloed van al die groepen op ons gedrag is groot. Hoe groot hangt af van een aantal factoren, waarvan we de belangrijkste in dit essay bespreken. De kernvraag is waarom onafhankelijkheid eigenlijk als een “deugd” van bestuurders wordt beschouwd.

Wederkerig altruïsme en materiële onafhankelijkheid

Samenwerking is over het algemeen voordelig voor de mens. Het over en weer verlenen van gunsten levert ons voordelen op die we alleen niet zouden kunnen bereiken. Dat hebben we gemeen met sociale dieren. Biologen beschouwen organisaties en het gedrag van mensen daarin dan ook als een complexe variant van elkaars rug krabben. “Elkaars rug krabben” heeft een paar kenmerken: het vergt inspanning, de ander heeft er baat bij, de krabber op zijn beurt heeft er niet onmiddellijk voordeel bij, de groep is te overzien (je krabt niet zomaar ieders rug), er zijn voldoende mogelijkheden om iets terug te doen en het is zichtbaar als een groepslid wel profiteert maar niet bijdraagt. In dit opzicht hebben netwerken voor- en nadelen. Als bijvoorbeeld een bestuurder plotseling wegvalt biedt het netwerk van de RvC vaak snel uitkomst voor de korte termijn. Omgekeerd kan de sociale omgeving ook flink druk zetten op besluiten, zeker als iemand bij veel mensen “in het krijt” staat.

Sociale norm en moreel kompas

Er werd net al gerefereerd aan de groepsnorm, die we definiëren als de gedeelde opvatting. Volgens Ajzen, Fishbein en vele anderen bepaalt die groepsnorm of er iets van onze houding en intenties terecht komt. Sterker nog, we passen heel vaak onze eigen opvattingen op basis van de groepsnorm aan. Door medestanders te zoeken kan je een norm “neerzetten”. Er zijn zelfs al heel lang experimenten bekend waarin handlangers van de experimentator proefpersonen verleiden tot het doen van evident onjuiste uitspraken. Een van de bekendste is van Asch:

Als dit al gebeurd in een eenduidige context, hoe zou dat dan zijn in de meer ambigue context van de bestuurskamer, waar met veel overtuiging een risicovolle lange-termijn strategie wordt bepleit? Het succesvol beïnvloeden van de sociale norm is de heilige graal van voorlichting, reclame en propaganda. Het is een kracht van charismatische leiders, maar van de toezichthouder wordt verwacht dat hij de feiten blijft volgen en daar vragen over stelt. Dat vraagt een sterk moreel kompas, ofwel goed ontwikkelde intrinsieke normen en waarden. Normen die iemand kan en durft te hanteren onafhankelijk van de druk die wordt uitgeoefend.

Meelifters en verbinding

Meelifters zijn degenen die wel profiteren van de groep, maar daar zelf niet veel aan bijdragen. In de complexe menselijke samenwerking is meer ruimte voor meelifters dan in de dierenwereld. Volgens Manfred Kets de Vries vind je deze vaak in het management. Omdat meelifters minder waarde hechten aan de reciprociteit lukt het hen ook vaak best goed om veel druk te zetten via resultaatsturing zonder al teveel kennis van of veel betrokkenheid bij het dagelijks werk. Mintzberg noemt deze stijl “deeming” en is er nogal kritisch over “elk kind kan dat ook”. Van toezichthouders wordt daarom terecht verwacht dat zij aandacht hebben voor cultuur en gedrag, want daarin wordt de bijdrage die het bestuur levert aan de organisatie goed zichtbaar. “Engagement surveys” waarmee de kwaliteit van de verbinding tussen individu en organisatie wordt gemeten zijn mede daarom een vast gespreksonderwerp op de agenda. Daarnaast is het net zo belangrijk dat de toezichthouder zich vergewist van de feitelijke gang van zaken. Dat vraagt een actieve betrokkenheid bij het reilen en zeilen van de organisatie en verbinding met de mensen daarin. Anders loopt de toezichthouder misschien zelf wel het risico om te worden gezien als een meelifter met een erebaantje.

Identificatie en loyaliteit

De identificatie met een groep is belangrijk. Meestal is de identificatie met de kleine groep, zoals het eigen team, sterker dan die met de hele organisatie. Daarom is de tevredenheid over de eigen afdeling vaak groter dan over de hele organisatie. Waar dat niet het geval is, is meestal wel iets aan de hand. Dit is ook wel begrijpelijk, omdat de mogelijkheid om wat voor een ander te doen en de ander iets voor jou terugdoet in het kleine team, waar je de hele dag mee optrekt het grootst is. Toezichthouders maken naar verwachting meer dan anderen deel uit van diverse groepen. De vraag is met welke groep de toezichthouder zich identificeert en wat dat betekent voor het gedrag. Populisten spreken graag over een “elite” en een “old boys network”, die elkaar de bal toespelen. Geert Mak heeft ooit in een Raiffeisen-lezing betoogt dat dit netwerk en de normen en waarden die zij hanteerden juist verzwakt is door internationalisering en individualisering. Het gevolg is dat bestuurders onvoldoende door hun gelijken terecht gewezen worden wanneer ze grenzen opzoeken. “Onafhankelijkheid” van de bestuurder kan dus ook een donker randje hebben, omdat hij of zij minder gevoelig is voor correctie.

In deze korte verdieping is geprobeerd een paar belangrijke aspecten van de sociale norm als determinant van gedrag uit te werken. Belangrijke conclusie is dat de sociale omgeving altijd een rol speelt en dat dit heel menselijk is. Onafhankelijkheid van de toezichthouder heeft twee gezichten. Het positieve gezicht hangt samen met de vrijheid om onafhankelijk te denken en handelen en een sterk moreel kompas en vertrouwen in de eigen oordeelsvorming. Daar zit de deugd. De donkere kant heeft te maken met een mogelijk gebrek aan verbinding met waardevolle netwerken en het ontbreken van de corrigerende invloed die een netwerk kan hebben. Daar is “afhankelijkheid” juist belangrijk.